Nes aan de Amstel

Historie

Nesser namen

Betje Wolf & Aagje Deken

Nes aan de Amstel is een buurtgemeenschap van Amstelveen, gelegen aan de hoog door het land stromende Amstel. Sinds de 16e eeuw, toen de buurtgemeenschappen van veenwerkers langs de Amstel ontstonden, is Nes aan de Amstel altijd zichzelf gebleven. In 1865 waren zes kaarslantaarns nog voldoende om heel Nes aan de Amstel in de nacht te verlichten. In 1921 werden er acht woningen in een rijtje gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog is Nes aan de Amstel vooral met de nieuwbouw in 1972 sterk gegroeid.

Untitled Document
Duizend jaar terug stroomde de Amstel nog zonder dijken door het drassig veenland. Langs de oevers woonden waarschijnlijk wat vissers en kleine boeren. Een concentratie van mensen ontstond op de plaats die nu Ouderkerk heet en waar een kerk gebouwd werd op een terp. Zoals in zoveel veengebieden, begonnen de bewoners in de droge tijden het veen te verwerken tot turf. Het moerasveen werd eerst gedraineerd door middel van het graven van sloten en geleidelijk ontgonnen. Dat was de beste brandstof in die tijd en er kwamen steeds meer mensen die met de verkoop van turf hun kost verdienden. Vanuit Ouderkerk groeven de ontginners zich door het Amstel veen naar het westen. In 1278 stichtten zij een nieuwe gemeenschap die de naam van hun broodwinning kreeg: Amstelveen.

Nu had men een oud en een nieuw gebied langs de Amstel, dat in 1296 officieel in twee parochies werd ingedeeld: oostelijk van de rivier Ouder- Amstel en westelijk Nieuwer Amstel. In die tijd is er in Amstelveen een eigen, nieuwe kerk gebouwd, waardoor het buurtschap rond de oude kerk wellicht zijn naam Ouderkerk heeft gekregen. Ergens in de 13e eeuw ontstond er een buurtschap aan de monding van de Amstel. De bewoners daarvan legden een dam in de Amstel, waardoor het Zuiderzee water in de herfst niet meer zo diep in de Amstel drong en het veenland droger werd. Naarmate het buurtschap van de Amsteldammers tot de stad Amsterdam groeide, was er meer turf nodig.

In de 16e eeuw ontstonden er buurtschappen langs de Amstel. Ten zuiden van Ouderkerk waren dat achtereenvolgens Waardhuizen, Schanshoek, Zwarte Kat, Swaluwebuurt en Nes. De parochie van Nes is vermoedelijk in 1631 gesticht. Dit wijst op een toegenomen betekenis van deze buurtschap. De 17e en 18e eeuw waren de eeuwen van de grote vervening. Turfgraven en – baggeren was seizoenswerk dat ongeveer zeven weken per jaar plaatsvond. Het werd voor een groot deel verricht door Duitse gastarbeiders (de zogenaamde ‘Hollandgänger’). Bijna het hele veenpakket van vier meter verdween uit de Nieuwer- Amstelse dreven naar de Amsterdamse kachels. Waar het veen werd weggegraven, ontstonden grote waterplassen waar niemand wat aan had. Daarom werd besloten tot droogmaking. In 1765 legde men eerst de ringdijk aan tussen de Ouderkerkervaart (waterverbinding tussen Ouderkerk en Amstelveen) en de Hollandsche Dijk. De Ringdijk diende als waterscheiding tussen de uitgeveende gebieden en het bovenland langs de Amstel, waar de veenders en de boeren woonden en waar dus niet was afgeveend.

In de loop van enkele jaren werden elf molens gebouwd die allemaal tussen Nes en Zwarte Kat stonden, waar het laagste land van de polder lag. Bij de namen van de molens vond men “De Jonge Gerard’ en ‘De Oude Visscher’ waar twee straten in het nieuwe Nes naar genoemd zijn. Door de droogmaling ontstond de Bovenkerkerpolder, gelegen tussen de Ouderkerkerlaan, de Amstel, de Hollandsche Dijk en de Bovenkerkerweg. Toch konden de molens op den duur het vocht In de polders niet aan. In 1914 werd het poldergemaal aan de Nesserlaan in gebruik gesteld en de molens werden geheel of gedeeltelijk gesloopt. Er zijn nu nog drie molenstompen in het landschap te zien die als woning worden gebruikt. In 1974 is een nieuw gemaalgebouwd, dat er nog steeds voor zorgt dat het polderland droog blijft.

Na de 2e Wereldoorlog begon het dorp Amstelveen sterk te groeien. Een van de gevolgen was dat heel wat boeren uit de Bovenkerkerpolder hun land en hofstede moesten prijsgeven aan de nieuwbouw. De buurtschap was eigenlijk te klein om eengoede leefgemeenschap te kunnen zijn waar middenstand, verenigingsleven enzovoorts zich zouden kunnen handhaven.
Tussen 1960 en 1969 liep de bevolking van het dorp zelfs terug van 357 tot 314 personen, ondanks de naoorlogse uitbreidingvan het dorp met 10 huizen in 1947 en 14 huizen in 1960. De enige manier om Nes als volwaardig dorp te kunnen behoudenwas het bijbouwen van een nieuwe buurt. En dat is gebeurd.
Tussen 1970 en 1972 verrezen 107 nieuwe woningen. In de zomer van 1995 werd nogmaals een kleine uitbreiding gerealiseerd van acht etagewoningen, zes eensgezinswoningen en zeven garages. In december 2000 was er een uitbreiding van acht eengezinswoningen langs de dijk. In 2011 is de oude melkfabriek gesloopt en op deze plek zijn vier twee-onder-een kap woningen, vier geschakelde dijkvilla’s en 3 starterswoningen gebouwd.
Untitled Document
Wat betekent Nes eigenlijk? Nes is een oud Nederlands woord voor neus. In dit geval betekent de neus een landtong die duidelijk in het water vooruitsteekt. De Nesser landtong lag in de buurt Van de Nessersluis, maar later is die scherpe bocht afgesneden en is de Amstel bij de Nessersluis rechtgetrokken. Tevens is de kleine buurtgemeenschap van destijds noordwaarts verplaatst. Deze buurtgemeenschap stond bekend als de Zwaluwenbuurt.

De Nesser gemeenschap heeft in de loop van de eeuwen veel pastoors in haar midden gehad. Een aantal hiervan hebben een stempel op de samenleving gedrukt. Eén daarvan was pastoor Martinus Andreas van Zanten, die hier ‘stond’ van 1886 tot 1898. Hij was de initiatiefnemer tot de bouw van de St. Urbanuskerk. Nes aan de Amstel ligt binnen de grenzen van het vroegere waterschap de Bovenkerkerpolder. Tussen Nes aan de Amstel en de Nesserlaan, die vroeger de Kruislaan heette, stonden eerst negen en later vijf molens. In de Eerste Wereldoorlog werden de laatste molens overbodig en deze werden afgebroken. Om de herinnering te behouden heeft men de namen van deze molens vastgelegd in straatnamen. In Nes aan de Amstel vinden we De Oude Visscher en De Jonge Gerard.

De Oude Visscher stond in de loop van zijn lange leven (1630- 1914) achter de buurtschap van De Zwarte Kat. De Jonge Gerard (1767- 1857) stond in de landerijen en is vermoedelijk vernoemd naar de zoon van de toenmalige bestuurder Gerard Bouritius. De andere molens zijn terug te vinden in Middenhoven, de meest zuidelijke woonwijk van Amstelveen.
Untitled Document
Op de Amsteldijk tegenover de St. Urbanuskerk staat een beeld van twee jonge vrouwen. De één schrijvend, de ander over haar heen geleund. Dit zijn Betje Wolff en Aagje Deken, een schrijvers duo uit de 18e eeuw dat de eerste roman in de Nederlandse literatuur schreef: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782).

Betje Wolff, geboren in 1738 te Vlissingen als Elizabeth Bekker, was in 1759 na een ‘schandelijk avontuur’ een verstandshuwelijk aangegaan met de 31 jaar oudere dominee Adriaan Wolff uit Midden- Beemster. Toen deze in 1777 overleed, werd zijn plaats vrijwel onmiddellijk ingenomen door Aagje Deken. Betje had haar het jaar ervoor via een briefwisseling leren kennen. Aagje zocht Betje direct na het overlijden van de dominee op en is nooit meer weggegaan.

“Denk nooit aan Betje Wolff of denk aan Aagje Deken”

Op de sokkel van het standbeeld in Nes staat: Denk nooit aan Betje Wolff of denk aan Aagje Deken. Aagje Deken werd geboren in de buurt aan de Amstel, beter bekend als de Zwaluwenbuurt, als dochter van veeboer Pieter Deken en zijn vrouw Geertruy Bebber. Aagje was nog maar net vier jaar oud toen haar ouders stierven. Zij werd toen ondergebracht in het deftige weeshuis De Oranje Appel aan de Keizersgracht te Amsterdam. De wezen kregen hier een vrome en gedegen opvoeding. Aagje bleef hier 20 jaar wonen en verdiende de kost als dienstbode. Zij wijdde zich echter liever aan de dichtkunst. Het standbeeld werd in opdracht van de gemeente Amstelveen gemaakt door Hans Bayens, afgestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, ter gelegenheid van de opening van het dorpshuis in 1969 en ter herinnering aan de plaats waar de wieg van Aagje Deken stond, deels de wieg van de eerste Nederlandse roman.